Kroondomein.com

Amsterdamse bonje door Haagse bluf

amsterdamse huizen

Geen meter wilde ik nog fietsen. De hitte steeg naar m’n kop en voelde ik bij het passeren van een terras uitdrogingsverschijnselen opkomen. Maar ja, zelfs op de fiets valt er in Amsterdam moeilijk een parkeerplaats te vinden, zodat er aardig wat ‘laafplaatsen’ aan mij voorbij gingen. Eenmaal in de Jordaan moest het toch wel lukken.

Toch vroeg het nog heel wat sightseeën door de leuke straatjes. Eindelijk, in de Westerstraat op een hoekje een klein kroegie met terras, waar ik kon aanmeren. Aan de aardige gozer achter de bar vroeg ik wat ze op de tap hadden. Een blond biertje van Brand, waar ik niet gretig op in ging. Probeer nou maar, het is echt een lekker zomerbiertje,” moedigde de uitbater mij aan. “Tja…?!,” overpeinsde ik, alsof ik een heel vat moest afnemen. “Lekker doen jôh,” hield een blije Jordanees hetzelfde biertje omhoog.

Mijn eerste slokken riepen inderdaad direct een smilie op. Inmiddels hadden twee studenten echter mijn uitgekozen terrasplek ingenomen. Het houtenbankje waar ik nu node plaats op nam werd door nog twee konten bezet. Van een ras Amsterdammer die af en toe, over langslopend publiek, aardige opmerkingen plaatste. En van een wat stuurs maar leuk Jordaans wijf, die een stevige dij tegen de mijne drukte. Ach, misschien had ik te dicht bij, net over haar comfort zone, plaats genomen. Stoer deed ik maar alsof ik daarvan niets in de gaten had.

Recht tegenover haar zat, bouwtechnisch gesproken ook een leuk type, die haar zus wel eens zou kunnen zijn. Al met al, zeker door de nodige opmerkingen over en weer, best een gezellige setting. Toch waren er momenten, dat die Jordanezen in een deuk lagen en ik over dat lachsignaal totaal niets had binnen gekregen. Het ging niet om de beroemde Amsterdamse afzeikhumor, want die zou ik als Hagenees snel kunnen pareren. Daarvoor was ik in 1967 onder de Amsterdammers in militaire dienst cum laude geslaagd. Nee, het ging ook niet om mij, maar om hun mobieltje waaruit de lol naar boven kwam. Kennelijk zaten ze met elkaar erotisch te whatsappen, zoals ik dat uit enkele verklarende teksten begreep. Waarbij het over recente gebeurtenissen ging en uit het grijze verleden.

Nelis, een stuurs type bouwvakker, kwam binnen de beperkte ruimte van het terras staan, glurend naar boven. “Je bent vroeg klaar Nelis?!, werd van de bank het woord tot hem gericht. “Ach ja jôh die typhus hitte was op de steiger niet meer om uit te houwen. Ben ik lekker wat vroeger weggegaan.”

 “Nou ja, mag het effe op vrijdagmiddag,” kreeg hij binnen zijn scene ondersteuning voor zijn besluit. Nelis kwam echter niet zitten. Bleef maar naar boven kijken. Zelfs, naar ik meende te zien, met een verbeten blik. “Laat toch gaan Nelis…” was de opmerking waaruit mijn vermoeden werd bevestigd. “Kom nou maar zitten en neem een biertje van me,” wat Paul de kastelein achter de bar direct opving met: “jullie ook nog?” De glazen werden binnen eigen kring opnieuw gevuld.

Gretig nam Nelis een paar slokken en zowaar ging hij ook nog zitten. Nou ja, niet door zijn stoel bij te schuiven, maar door juist zich strategischer op te stellen, voor dat ene raam drie hoog aan de overkant. “Op je gezondheid  Nelis,” werd verkapt een nieuwe poging gedaan hem binnen de kring te krijgen. “Ze kunnen de typhus genieten.” hief Nelis zijn glas. “Kom op jôh, ’t is lekker weer en nog weekend ook,” kwamen nu ook de vrouwelijke aanmoedigingen. “Dat zal wel,” kregen ze nors terug. “Die hele typhuszooi van ze gaat er helemaal aan!” “Nou, nou, maar dan…” “Tuurlijk, dan ben ik ook mijn eigen spullen kwijt,” was hij die analyse voor. “Maar híj zal er ook geen plezier van beleven; die hele teringzooi van hun allebei gaat het raam uit….”

 Oeps, hier was ik getuige van een heel ouderwetse ruzie, zoals die vroeger jaren met het door de lucht verplaatsen van meubelstukken, nog al eens gaande was. Daardoor bracht die Nelis bij mij ook zo’n ouderwetse Amsterdamse volksruzie in herinnering, waarvan ik niet alleen getuige was, maar naar zeggen, kennelijk de oorzaak ben geweest. Ergens in een Amsterdamse volkswijk speelde dit bij een neef en nicht van mijn moeder zich af. Hij was wel een heel bijzondere jongen, was chauffeur van zo’n dikke tongenbusje. Bepaald geen licht. Wat hem ooit eens overkwam zou ik namelijk stil hebben gehouden, zelfs niet bij een pillow talk hebben los gelaten.

Want, ooit stond hij eens naast zijn busje, nadat hij zijn passagiers uit had laten stappen. Komt één van de zusters op hem af met de opmerking “Schiet op, ze zijn al naar binnen…,” waarop hij reageerde met “Ik ben verdomme de chauffeur…” Nu dit zo onthullend mijn PC is uitgerold, hecht ik er toch waarde aan, duidelijk te vermelden dat het om een achterneef en achternicht ging.

Maar goed bij die lichten was ik dus, door aandringen van mijn tante (“Ga mee joh, kan je lachen”) op verjaarsvisite. Het speelde drie hoog, met steile binnentrappen, in een kleine woonkamer zich af. Stoeltje stijf naast stoeltje, waarbij het Amsteltje uit het flesje werd gezopen. De (te) dikke plakjes leverworst met zuur, de Amsterdamse uitjes niet te vergeten, hielden het volk niet nuchter.

Truus en ik waren nog maar kort daarvoor getrouwd, maar probeerden desondanks onze tortelduifjesfase vanuit fatsoensnormen enigszins te verhullen. Ik sluit niet uit dat daarvan een verkeerd signaal was uit gegaan. Eén van de leuke achternichten, wel een paar jaartjes ouder, wilde graag eens met mij dansen. Eerst netjes tegenover elkaar bij  het nummer Dancing Shoes van Cliff Richard. Wat uitbundiger bij Let’s Twist Again van Chubby Checker. (Ja hallo, dit leuk Amsterdams tiepie danste wel met één van de Twistkoningen van Den Haag.)

Haar bewondering volgde daarop bij het slowly nummer Twilight Time van The Jumping Jewels. “Goed hè, die Haagse nummers”, leek haar zelfs wat intiemer te worden. Haar welgevormdheid werd door de close harmony op een aangename manier ‘zonder m’n handjes’ afgetast. Een prettige gebeurtenis waarbij ik mij tegelijk van geen prins kwaad wist.

 In de Amstelhoek werd dit echter heel anders beleefd. Al lang en breed zaten wij weer terug op onze plaats en hielp Alie, want zo heette mijn gelegenheids-danspartner, weer mee met het verzorgen van de drankjes en hapjes. Maar het viel ons op dat er steeds meer thuisspelers enigszins opgewonden de keuken in doken. Er scheen iets gaande te zijn.

Daar vandaan werden de stemmen steeds harder, hoorde ik zelfs een “Nu blijf je hier…” en wat gestommel. Bezweten koppen kwamen vervolgens de kamer binnen, gepaard gaande met wat douwen en trekken. Mijn directe familie begon wat onrustig op hun stoeltjes te schuiven, terwijl ik juist nieuwsgierig de situatie in ogenschouw ging nemen. Met een “blijf jij maar hier,” werd ik bij het verdere strijdtoneel weggehouden. Meer dan “vuile hoer, gore zuiplap en Haagse lul,” had ik daardoor niet meegekregen.

De algehele situatie werd wat paniekeriger, er werden zelfs rake klappen uitgedeeld, terwijl wij nog steeds niet wisten wie de onderliggende- en bovenliggende partij was. Voor ons was nog maar één ding belangrijk: Hoe komen wij in hemelsnaam ongeschonden al die steile trappen af?!  Waarschijnlijk door de juiste timing, is dat ons schadevrij gelukt. Eenmaal beneden weerkaatste vanuit de open ramen het geschreeuw door de smalle straat. De ruzie was toen op z’n hoogtepunt.

Nu, door Nelis’ geloer naar boven, kwam dit verre verleden terug in mijn herinnering. Had ik er alsnog leedvermaak over, dat mijn Haagse bluf in Amsterdam een ouderwetse volksruzie heeft ontketend.

0715

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Loading Facebook Comments ...
|
dis©laimer - Site by - Dutch Design Office