Kroondomein.com

Toch nog goed terecht gekomen

Click op de foto voor mijn rapportcijfers bij de Inspectie Infanterie

Te droef voor woorden brokkelt onze verzorgingsstaat steeds verder af en heeft onze Minister President Mark Rutte de twijfelachtige eer, met zijn partijgenoten, de architect te zijn van onze participatiemaatschappij. Waarin vooral mensen, jong en oud, die zichzelf niet (meer) kunnen redden, steeds meer op vrijwilligers zijn aangewezen. Daardoor is het eigenlijk bittere noodzaak dat de dienstplicht, zowel voor jongens als voor meisjes, opnieuw wordt ingevoerd. Zij moeten daarmee iets van onze verzorgingsstaat terughalen.

Maar dat niet alleen, want ons land heeft ook weer jongelui nodig die omwille van de lieve vrede paraat zullen zijn. Jeanine Hennis-Plasschaert, onze minister van Defensie, snakt naar jonge mannen (m/v), die weer ouderwets militaire dienstplicht gaan vervullen. Niet zozeer omdat die oliebollen (benaming voor de jongelui die nog maar net de kazernepoort zijn gepasseerd) hun plicht onder een vrouw mogen vervullen, maar om de totale omlijsting van de dienstplichtig militair, is het echt een taak om naar uit te kijken. Iets wat overigens over het algemeen áchteraf pas wordt ingezien. Bij mij was het (67-3) niet anders. Eerst dat gedril gedurende mijn basisopleiding in de Isabella Kazerne van ’s Hertogenbosch en later de Van Heutz strafkamp in ’t Harde, waar ik overigens terecht kwam doordat ik mijn sergeantenopleiding volledig had verstierd. Ik zei toch, “achteraf was het pas leuk.”

Toen was ik dissident, een van de velen die zo zijn listen wist te verzinnen om onder van alles uit te komen. Daarbij had ik de mazzel een kruiwagen te hebben, in de vorm van mijn oom Rinus van der Graaf, Korporaal der eerste Klasse en een heel goede chauffeur. Hiërarchisch gesproken stelde hij in de Defensieve piramide niets voor. Zijn importantie ontstond door de achterbank van zijn dienstauto. Daar zat namelijk áltijd een Generaal. Direct nadat Prins Bernard in 1976 door de Lockheed smeergeldaffaire uit zijn uniform was getild, draaide mijn oom met de nieuwe Inspecteur-Generaal, Savornin Lohman, dagelijks Neerlands wegen op.

Tijdens de langdurende ritten werd er als mannen onder elkaar wat af gekletst, heel geanimeerd, maar wel als “Generaal” en “Rinus.” Zó wist mijn oom mij wel in een administratieve baan te kletsen, bij de Inspectie der Infanterie. Een bijna normaal kantoorbaantje in de Haagse Frederik kazerne. Bijna normaal, omdat ik daar wel heel bijzondere dingen meemaakte.

Kennelijk door mijn betrouwbare achtergrond, werd ik te werk gesteld op het geclassificeerde secretariaat van de Inspectie der Infanterie. In die functie kwam ik dagelijks vele malen per dag bij de Chef-Staf, Kolonel Dassen, over de vloer. De eerste keren netjes zoals dat van een militair werd vereist. Al gauw werd mij te kennen gegeven dat ik maar eens met die onzin moest stoppen, waarna een leuke tijd van familiair contact ontstond. Natuurlijk niet op het moment dat een beroepsofficier zich nok-nok aanmeldde. Wat in mijn bijzijn steevast werd gekarakteriseerd met “Daar heb je weer zo’n slijmerd, die te beroerd is om ergens in het land dienstplichtige soldaten op te leiden”. Hij doelde hiermee op het ziekenbriefje die de afgekeurde militairen verwierven om lekker dicht bij huis te kunnen blijven.

Na het nok-nok kwam er meestal een kapitein binnen, natuurlijk niet voordat de kolonel hem met “binnen” de kamer in had geschreeuwd en ik, zittend op de punt van het bureau, weer netjes drie stappen opzij had gemaakt. Het ritueel wat dan volgde gaf mij veel plezier. Echt als een kleine jongen die soldaatje kwam spelen, gedroeg het driesterrenmannetje zich dan met borst vooruit. “Hebt u verder nog iets voor mij?” “Nee, ga je gang” “Ik ga mijn gang.” Met kletsboem van de hakken, conform de militaire normen, verliet de kapitein dan de kamer. Met “de mazzel,” (“lator” kende Van Dale toen nog niet), verliet ik kort daarna eveneens de kamer van de grote baas.

Maar er waren nog veel meer bijzonderheden, binnen deze Inspectie der Infanterie, waar iedere beroepsmilitair wel iets aan zijn ABOHZIS* mankeerde. Alleen al rooie Adje, Sergeant der eerste klasse, die de dagelijkse leiding over mij had. Hij was te lui om uit zijn ogen te kijken en meende het wereldnieuws, met sport als extra aandachtspunt, tot zijn belangrijkste taak te moeten rekenen. Een klus waarbij de hele dag kranten lezen onontbeerlijk was.

Ik vond het prima, want zo kon ik de volledige klus van het hele secretariaat naar mij toetrekken. Iets wat door het hoofd van onze afdeling, een Luitenant der eerste klasse, hogelijk werd gewaardeerd. Deze Luit, waarvan werd gezegd dat hij ooit de papegaaienziekte had gehad, wat hem heel afwezig deed lijken, wist voldoende slimmigheidjes te bedenken om zijn taken buiten de deur te vervullen. Niemand wist waaruit dat bestond, maar niemand was het die zich daar druk om maakte. Ik had dus voornamelijk met kranten lezende Adje te maken.

Of hij daartoe, van hogerhand werd aangestuurd weet ik niet, maar zo nu en dan vond Adje dat hij de hardwerkende dienstplichtigen bij de Inspectie der Infanterie eens een echte inspectie moest afnemen. Direct aan de achterkant van het gebouw. Als slappe hap gingen wij dan in rotten van twee staan en maakte niets van het commando “metverkortetussenruimtenaarrechtsrichten.” Adje vond het wel goed, ondanks dat hij het inspecteren wél heel serieus nam. Zo constateerde hij ooit dat het embleem van mijn baret niet was opgepoetst. “Oppoetsen!”, was zijn commando.

Terug op de kamer kon Adje mij de bout hachelen. Geen woord kreeg hij meer van mij. “ADO heeft weer mooi drie punten te pakken hè”, trachtte de Brabo een dialoog op te zetten, waarop ik zelfs geen enkel gebrom liet horen. Wat hij ook uit de krant citeerde, van mij kwam er geen enkele reactie en dat knaagde aan Adje. “Wat ben je stil? Is er iets?” “Iets?!, jij vraagt of er iets is?! Wie denk je wel dat je bent?!”Uhh, hoezo..?” “Denk jij nou écht voor het peloton mij voor lul te kunnen zetten? Dat ik mijn embleem moet poetsen?! Bekijk jij het maar lekker, beroépsmilitair.”

Het werd doodstil. Zelfs het geknisper van het omslaan van een krantenpagina bleef uit. “Zo heb ik het niet bedoeld hoor”, kwam toen de eerste toenadering van Adje. “M’n zorg, je bekijkt het maar”, respondeerde ik nog steeds in mijn kuif gepikt. Adje begreep dat het serieus was, maakte er geen woorden meer aan vuil, pakte mijn baret, schoof de poetsschuif achter het embleem en ging aan het poetsen. Toen “de Van Heutz” weer glom als een tierelier, reikte hij mij trots mijn baret aan. “Kom op, nou kunnen we toch weer gezellig met elkaar kletsen”. Door mijn triomf gunde ik Adje weer het wederwoord.

Nu was Adje, ondanks zijn rang van Sergeant der eerste klasse, bepaald geen licht. Dat mocht wel blijken, toen ik in mijn oude volkswagentje naar de kazerne kwam en op de afdeling een hevig in paniek zijnde Adje aantrof. “Koper niet gepoetst Adje”, maakte ik nog een kwinkslag. Maar er bleek iets wel heel serieus aan de hand te zijn. Adje was lijkbleek en vroeg meteen of ik met mijn auto was. Enkele minuten later zaten wij samen in mijn oude Kever, op weg naar zijn huis in Zoetermeer. Onderweg vertelde hij mij het hele verhaal.

Het bleek dat, na het openen van zijn bureau, alle sleutels wegwaren. Van de kasten, maar ook van de kluis. En dat allemaal op het geclassificeerde secretarie(?!). Adje hoopte thuis de sleutels terug te vinden. Na zijn hele huis te hebben uitgekamd bleken de sleutels hier niet te zijn. Op van de zenuwen stapte Adje opnieuw in m’n Kever richting kazerne. De stemming was daar inmiddels zichtbaar veranderd. De sleutels waren terecht, gevonden door een schoonmaker.

Het bleek dat rooie Adje tijdens een dubbele handeling een vergissing had gemaakt. Hij had namelijk een prop papier in zijn la gelegd en alle sleutels in de prullenbak gepletterd. Opluchting alom. Hoewel, de schoonmaker, de eerlijke vinder van de sleutels, was voorlopig wel in de aap gelogeerd. De S2, een soort geheime dienst van het leger, heeft zijn hele hebben en houwen volledig uitgeplozen.

Een vergelijkbaar incident deed zich voor, toen ik vervroegd de dienst mocht verlaten. Met nog een week dienstplicht te gaan, opperde de Luitenant der eerste klasse, dat hij die laatste week wel de kluis zou openen, waarin stukken lagen tot en met Nato Zeer Geheim. Dit bracht hem ertoe om de kluiscode, door mij als een soort wachtwoord aangebracht, direct te veranderen. Een klus waarvoor de Luitenant de hele ochtend zich voor de kluis had gepositioneerd.

Na de lunch kwam bij hem het hoge woord eruit. “Soldaat Kroon, het lukt mij niet helemaal”. “Zal ik het voor u doen Luitenant?”. “Ja, graag!”. Waarna ik een nieuwe code in de kluis aanbracht en de vernieuwde code aan mijn superieur afgaf. In dankbaarheid aanvaard hoewel, na een lange tijd voor zich uit te hebben gestaard, kwam er toch een aannemelijk bezwaar. “Soldaat Kroon, nu weet je nog steeds de code van de kluis”. In stilte feliciteerde ik zijn analytische vermogen en antwoordde: “Ach luit, die ben ik nu al vergeten…” “Ohh, fijn, gelukkig maar.”

Een nieuwe lichting dienstplichtigen gaat ongetwijfeld vergelijkbare dingen meemaken. Daarom, militaire dienstplicht is leuk. Achteraf gesproken.

-o-o-o-

 

 N.b. * Een gezondheidsclassificatie van A = algemeen; B = Bovenste ledematen; O = Onderste ledematen; H = Horen; Z = Zien; I = Intelligentie; Stabiliteit.

1114

Een gedachte over “Toch nog goed terecht gekomen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Loading Facebook Comments ...
|
dis©laimer - Site by - Dutch Design Office