Kroondomein.com

Een extra deken voor de kok

valentijnsdag

Met Valentijnsdag in het vooruitzicht, heb ik mijn herinneringen gescand op bijzondere voorvallen. Dit keer voornamelijk met schlemielen in de hoofdrol. Wat ik overigens ook eens zelf had kunnen zijn. Met een groepje maten zat ik gezellig aan de bar van een Rotterdamse kroeg een biertje te drinken, toen er vier mannen binnenkwamen, die overduidelijk lid waren van de Hell Angels.

Rouwdouwerig namen ook zij plaats aan de bar en pakten in forse moyenne het ene na het andere biertje, waarbij zij steeds luidruchtiger werden. Zo nu en dan betrokken zij hun bargenoten in het gesprek, wat natuurlijk voornamelijk ging over drank, vrouwen en motoren. Dikke Nelis stond pal naast mij en bleef mijn kant uit oreren, hoe lekker dat motorrijden is. Woorden die hij kracht bijzette door een ongelooflijk harde, ongegeneerde, vooral onsmakelijke boer te laten, waarna hij triomfantelijk om zich heen keek, om vervolgens verder te gaan met zijn adoratie voor het motorrijden. Nu van man tot man, waarbij ik ongewild de toehoorder was.

Op zijn vraag of ik ook een motorrijbewijs had, kon ik bevestigend antwoorden.  “Maar ach, motorrijden vind ik wel leuk, maar je gaat er zo ontzaglijk van boeren…” De bar viel even stil en de mannen van de Hell strekten hun rug. Nog voor er één verdere beweging was gemaakt, schoot dikke Nelis in een bulderende lach, waarbij hij mij vriendschappelijk op mijn schouder sloeg. Heel lieflijk, ten minste als je bedenkt hoe het anders had kunnen lopen. “Is dikke Nelis wel eens bij jou binnen geweest?,” hoorde ik de zwaar getatoeëerde captain van de Hell nog vragen aan een vrouwtje aan de bar, die in de niet meest gekuiste amazonezit, gelukkig voor mij, toen alle aandacht vroeg. Met stille trom zijn wij toen vertrokken.

Het is ook voorgekomen, dat aan de andere kant van de bar, een leuk vrouwtje van het type Maggie MacNeal, zich met verve de slachtofferrol in werkte. Dit terwijl haar vriend, een boom van een kastelein, een ander deel van de bar bediende. Maggie had uit fragmenten van het gesprek, wat ik met mijn stapmaatje had, begrepen dat wij bij de krant werken. “Aha, jullie zijn journalisten”, “Welnee jôh, we hebben niet meer dan een krantenwijk,” kwam bedoeld onwaarschijnlijk bij haar over. “Ja, ja… ik laat mij niet zo makkelijk in de maling nemen hoor,” diende zij ons van repliek. Wij konden kletsen als Brugman, “nee, echt niet van de redactie”, wat haar steeds meer van het tegendeel overtuigde. “Ik wil zelf ook journaliste worden”, schoof zij ons een biertje van het huis toe. “Kunnen jullie mij daar een beetje bij helpen?” “Ach, wie weet”, begonnen wij ons een houding aan te meten. “Schrijf je nu al veel?” “Ja wel, maar alleen in m’n dagboek.” “Hum, op zich best een goeie basis, dagboek…, dagblad…” Aan haar enthousiaste geknik zagen wij dat Maggie hier ook de logica van in zag.

“Maar ja, hoe objectief schrijf je dan?”, gingen wij quasi geïnteresseerd in op haar kansen in de journalistiek. “Echt ik schrijf dagelijks in mijn dagboek”. “Ja, maar hoe objectief?”, probeerden wij nog eens. Wij zagen dat zij met deze vraag geen raad wist. Ongegeneerd hielpen wij haar een handje. “Die barkeeper is toch jouw vriend?” “Jan? ja, al drie weken”. “En doe je het al met hem…., niet dat het ons interesseert hoor, maar staat het ook in je dagboek te lezen? ” “Ja”, bloosde zij. “Enne staat ook jouw allereerste keer er in?”, gingen wij meedogenloos door. “Uh ja, met Jan wàs het de eerste keer…,” kwam haar naïviteit in volle glorie naar boven. Wij wilden weten hoe ver wij nog konden gaan. “Voor het mooie zouden wij jouw dagboek moeten lezen. Schrik daar maar niet van hoor, want wij lezen zoiets beroepshalve.” “O ja, net zoals je met je dokter intieme dingen bespreekt”, trok zij een vergelijking waar wij niet direct op zouden komen. “Precies!”, moedigden wij haar aan. “Als jullie morgen langs komen, neem ik ‘m mee, mogen jullie mijn dagelijkse reportages lezen.” Op deze afspraak werd ons nog een biertje van het huis voorgezet. Ook bij het afrekenen kregen wij een fikse korting. “Ik zal vannacht nog tot het laatste moment mijn dagboek bijwerken,” zei zij met een intonatie van “stop de persen”.

Met de belofte morgen haar dagboek op te halen, namen wij aller hartelijkst afscheid. Van een avondje heel bijzonder lol maken aan de bar. Toch gingen wij de dag er op terug naar de kroeg van Maggie. Niet om haar dagboek op te halen, maar om uit te leggen dat wij haar eigenlijk toch niet konden helpen en dat zij vooral voorzichtig moest zijn met het uit handen geven van haar dagboek. Maggie bleek er niet te zijn. “Zij is maar eventjes geweest, maar is weer weggegaan omdat zij mijn avonddienst heeft overgenomen. Zijn jullie van de krant? O wacht even, zij heeft een pakketje voor jullie achter- gelaten”. “Geef het maar terug aan Maggie en laat zij er erg zuinig op zijn”. Waarna wij deze kroeg van wulps avontuur voorgoed verlieten.

Langs mijn breinnistische zoekmachine volgden er nog een aantal figuren, die voor Valentijnsdag genomineerd zouden kunnen worden. Zoals een aantal geflopte verkopers, waar ik later nog eens over zal verhalen. Van neringdoenden, die via de curator uit ons straatbeeld zijn verdwenen.

Als genomineerde hoort hier zeker ook Evert thuis. Evert de kok van het Scheveningse nachtleven, die in de wintermaanden bij mijn ouders in hotel sliep. Dit hotel lag direct aan de boulevard en had in de winter nauwelijks bezetting. Voor ons een prima moment om, op grote schaal een feest te geven, waarbij de feestgangers uiteraard konden blijven slapen. Behoudens in kamer 12, want daar, aan de tuinzijde van het pand, sliep Evert de kok.

Ons feest was nog druk aan de gang, toen Evert totaal verregend binnen kwam. Jemig, het was al drie uur in de nacht en het regende en stormde. Met een “zakislekkerdoor, zakislekkerdoor-polonnaise werd de beroepskok door ons allerhartelijkst ontvangen. Een drankje sloeg hij echter af en ging direct naar twee hoog achter. Enkele minuten nadien stond hij beteuterd op de drempel van ons feestgedruis. Of mijn vader maar even mee wilde komen, want de storm had de deuren van kamer 12 opengeslagen, waardoor regen en wind vrij spel had in zijn kamer. “Je boft, want de baas zelf is hier vanavond ook en hij komt ook wel even kijken.”

Met een geselecteerd gezelschap, onder auspiciën van quasi-baas Alex, gingen wij in kamer 12 polshoogte nemen. Evert de kok stond in een lullige pose bij zijn bed, terwijl het in z’n kamer minstens zo hard stormde en regende, als daar buiten. Zoiets hadden wij nog nooit gezien. De complete pui lag er uit en de gordijnen wapperden stijf tegen het plafond aan. Alex overzag de situatie, had zich compleet in zijn rol als directeur van het hotel ingeleefd en zei zonder te verblikken of te verblozen: “Da’s heel vervelend. Morgen moet er gelijk een timmermannetje komen. Maar tja, er zijn momenteel geen kamers vrij. Ik zal je een extra deken geven…” En gespeeld arrogant keerde hij de kok zijn rug toe. Evert had er desalniettemin alle begrip voor.

Deze introverte kok stond dan ook heel lang bij mij met stip genoteerd. Mijn treinreis naar Amersfoort deed dit veranderen. Bij Amsterdam Centraal kwamen twee moeders met vier kindertjes bij mij in de coupé zitten. Drie kinderen vermaakten zich prima en smulden van al het lekkers wat hen werd toegeschoven. Een jongetje van zo’n vijf jaar hield zich afzijdig en was eigenlijk alleen maar aan het jengelen. Nee hij hoefde geen boterham met omelet. Nee, geen Mars en nee, hij had geen dorst. Hij wilde alleen de trein maar uit. “Wanneer zijn we er nou?’ “Nog even geduld Olaf” Zijn dreinen verhevigde zich van station tot station. Af en toe kon hij worden afgeleid, maar dan kwam het gezeur weer in alle hevigheid terug. Ik had reden om mij er inmiddels aan te ergeren.

Maar dan ineens is er dat keerpunt. Niet dat het gezever was afgelopen. Verre van… Nee, het was meer zijn verslag van eigen belevingswereld. Zijn gevoel dat die dag alles tegen zat. De trein was voor ruim vijf minuten gestopt in Hilversum. Olaf was even stil en keek vol aandacht naar de mensen die op het perron de trein passeerden. Olaf lijkt hierin een terrasjesman in spé te zijn. De trein zette zich weer in beweging, wat ook bij Olaf niet onopgemerkt voorbij ging. Zijn reactie hierop geeft hem recht op mijn Valentijnskaart. Niet minder jengelend sprak hij verongelijkt: “Nou gaat het station ook nog weg….”.

0205

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Loading Facebook Comments ...
|
dis©laimer - Site by - Dutch Design Office